Bedrijfswagens & BTW: een kwestie van de juiste keuze

donderdag, 2 mei, 2013 - 07:50

Sinds begin 2011 wordt voor een gemengd gebruikt bedrijfsmiddel alleen nog maar BTW aftrek toegestaan in verhouding tot het effectieve beroepsgebruik. Voor bedrijfswagens werd deze maatregel op veel kritiek onthaald omdat er grote onduidelijkheid heerste omtrent de praktische uitwerking. Hoe diende immers het privé/beroepsgedeelte vastgesteld te worden? Daarom werd de uitvoering van de regel tot nader order opgeschort. De fiscus heeft in tussentijd echter niet stilgezeten en een vereenvoudigde regeling uitgewerkt waarbij aan de belastingplichtige de keuze wordt gelaten tussen drie methoden.

De Administratie stelt drie methoden voor om het privé/beroepsgedeelte te berekenen.

Rittenadministratie

Volgens de eerste methode moet een belastingplichtige een volledige rittenadministratie bijhouden ofwel via manuele invoer (rittenboekje), ofwel automatisch (GPS).

Het privégebruik moet worden bepaald op grond van het werkelijk aantal gereden privékilometers ten opzichte van het totaal aantal kilometers. Let er wel op dat woon - werkverplaatsingen hier nog als privégebruik wordt beschouwd.

Concreet dient datum, beginadres, eindadres, aantal afgelegde kilometers per rit en totaal aantal kilometers per dag te worden bijgehouden. Dit dient te worden toegepast per vervoermiddel en is voor een personenwagen beperkt tot maximum 50% aftrek.

Deze methode geldt per wagen.

Semiforfait

De tweede methode werkt met een formule gecombineerd met een forfait van 6.000 kilometer voor de "echte" privéverplaatsingen (i.e. andere privéverplaatsingen dan woon-werkverkeer). Het aantal afgelegde privékilometers wordt berekend volgens onderstaande formule:

(afstand woon-werk x 2 x 200 + 6.000)/totale afstand afgelegd tijdens het jaar.

200 in de formule is het aantal werkdagen en wordt eveneens forfaitair vastgesteld. Dit wil zeggen dat er al rekening gehouden werd met vakantie- en ziektedagen, en occasioneel thuiswerk.

Ook deze methode geldt per auto en een belastingplichte kan deze combineren met de eerste methode voor een andere wagen. 

Om deze methode toe te passen heeft de belastingplichtige enkel de afstand van het woon-werkverkeer en het totaal aantal afgelegde aantal kilometers op jaarbasis nodig. Het semiforfait vergt dus weinig administratief werk tegenover het btw-voordeel dat dit voor een belastingplichtige kan opleveren.

Onder deze methode kan de belastingplichtige eveneens met een gemiddeld percentage werken voor alle bedrijfswagens.

Forfait van 35%

Een belastingplichtige die beschikt over minimaal 4 vervoermiddelen mag het beroepsgebruik forfaitair vastleggen op 35%. Deze methode wordt toegepast voor alle bedrijfswagens (personenauto’s en lichte vrachtwagens) en dit voor minstens 4 jaar.

Deze methode is exclusief en kan niet met de andere methodes gecombineerd worden.

Op het eerste zicht lijkt deze laatste methode de voorkeur te genieten, maar niets is minder waar. Welke methode de voorkeur geniet, dient geval per geval onderzocht te worden. Rekenen is derhalve de boodschap.

Herziening?

Bij gebruik van methode 1 en 2 moet bij het in gebruik nemen van de wagen een raming verricht worden onder toezicht van de administratie. Als op het einde van het jaar blijkt dat het werkelijke beroepsaandeel van de raming afwijkt, moet er een herziening gebeuren. Bij methode 3 wordt er geen herziening toegepast.

Toepassing

In principe zijn de bovenstaande regels reeds van toepassing sinds 1 januari 2011, maar er geldt wel een overgangsregeling. Voor 2012 mogen de oude berekeningsregels blijven toegepast worden. Wie het nieuwe systeem al vanaf 2012 wil toepassen, mag dat ook. Vanaf 2013 geldt het nieuwe systeem ten volle.

Let er wel op dat wanneer een belastingplichtige die voor de jaren 2011 of 2012 geen btw op het voordeel alle aard heeft afgedragen, het risico loopt dat de Administratie van mening is dat de belastingplichtige de nieuwe regels heeft toegepast vanaf 2011 of 2012.